Thuistaal op de speelplaats

Geplaatst op Zaterdag, 02-12-17 om 15:04:30

Blog > Thuistaal op de speelplaats

Het idee om de gezinstaal in de pedagogische instituten te plaatsen is uitgewerkt binnen het gemeenschapsonderwijs. Concreet wil het gemeenschapsonderwijs (GO!) de taal die thuis wordt gesproken toestaan op de speelplaats. Want , zo zegt de topvrouw van het GO!, Raymonda Verdyck : ‘ Met die taal voelen de leerlingen zich beter op school en leggen ze ook makkelijker de brug naar Nederlands’. Mevrouw Verdyck redeneert met andere woorden dat de thuistaal niet vrijstellen een deficiëntie teweegbrengt bij anderstalige scholieren die contraproductief is voor hun prestaties , toekomstperspectief etc.. Daarnaast zouden er ook lessen moeten worden aangeboden waarin de thuistaal wordt bijgeschaafd. De thuistaal is volgens prof. Piet Van Avermaet , directeur van het Steunpunt Diversiteit & Leren van de UGent , immers een ‘arme’ taal aangezien de woordenschat ervan relatief beperkt is. Daarom vindt Van Avermaet het interessant om de thuistaal te verrijken want dit is naar zijn mening noodzakelijk om een andere taal , in casu Nederlands of Frans, te leren. Overigens blijft de instructietaal tijdens de les een van de drie landstalen naargelang de gemeenschap.

 

De principes waar dit concept op lijkt te steunen zijn vooral de eigenheid en vrijheid van de jongeren in kwestie. Daarmede is de argumentatie ook dat ,door deze jongeren hun vrijheid en eigenheid te geven , ze met de tijd de landstaal sneller machtig worden. Maar klopt dit wel? Om te beginnen heeft  de denkwijze van Prof. Van Avermaet een verdoken discriminerend kantje en klinkt een beetje als een wij-zij-verhaal.  In tegenstelling tot wat Van Avermaet zegt is de landstaal niet zomaar een ‘andere taal’  maar weliswaar onze eigen taal met inbegrip van iedereen die thuis een andere taal spreekt. Daarnaast moet men zich de vraag stellen hoe deze scholieren in sociale kringen zich verstaanbaar moeten maken jegens Nederlandstaligen of jongeren die van nog een andere origine zijn. Het taalregister dat men als ‘instructietaal’ hanteert binnen de les is namelijk  nog steeds verschillend van een informeel gesprek of discussie. Ondoordacht creëert men dus lacunes in de taal die zeker optreden bij jongeren waarbij de 5-daagse schoolweek het enige contact is met de landstaal, a fortiori onze taal.  Als gevolg van dit gebrek aan inclusie zullen deze  jongeren zich logischerwijs meer geneigd voelen om voor de vlotheid de thuistaal te spreken en komen we terecht in een situatie van Babylonische spraakverwarring met veel verdeeldheid waar het ene aan de ene  groep wordt toegeschreven en dat aan de andere maar niks van ons is als gehele samenleving.  Dit voorgaande wijst erop dat de oorspronkelijke eigenheid en vrijheid die zogezegd bedoeld was eigenlijk redelijk bekrompen is. Wat kan je aanvangen met eigenheid als het recht om je te ontplooien in Vlaanderen je wordt ontnomen? Wat kan je verwezenlijken met je vrijheid als die zo goed als beperkt wordt tot een isolement? De waardering van thuistaal en de bewondering van de eigenheid zijn niet meer dan een façade die verdeeldheid zaait die de mensen waarvoor het bedoeld is zelf niet ten goede komt.

 

 

Vbr. stud. iur. Nic Papageorgiou