Over KVHV - Prominenten

Gilbert De Smet

Op 11 november 2003 is een van de bekendste oudgermanisten van de vorige generatie, Gilbert de Smet, op 82-jarige leeftijd van ons heengegaan.

Geboren in het dorpje Bevere onder de rook van Oudenaarde in zuidelijk Oost-Vlaanderen, studeerde hij wat toen in België nog Germaanse Filologie (thans Germaanse Talen) heette, d.i. Nederlandse, Duitse en Engelse taal- en letterkunde. Moderne Skandinavische talen waren toen in Gent nog niet aan de orde, maar die leerde De Smet, mede door zijn vele contacten met de noordelijke wereld, later wel kennen; in elk geval kon hij tijdens zijn studie al met Oudnoors kennis maken. Zijn bijzondere aandacht ging uit naar de taalkunde van het (oudere) Duits, waarin hij trouwens na het behalen van zijn licentiaatsdiploma en na een verder jaar in Duitsland met een Humboldtbeurs (waarmee hij in Bonn bij Weisgerber, in Leipzig bij Frings studeerde) in 1951 zou promoveren, en wel op een proefschrift over de vertalingen van de Latijnse christelijke begrippen pati en passio. Doch reeds in dit onderzoek betrok hij evenzeer de Middelnederlandse literaire bronnen, waardoor hij terecht – al gebruikte hijzelf de term nooit – kan gelden als een van de vaders van de ‘theodistiek’, d.i. de gezamenlijke studie van het continuüm der Continentaalwestgermaanse schrijftalen tussen de Alpen en de Noord- en Oostzee vóór hun uitsplitsing en kristallisatie tot de beide huidige standaard- en cultuurtalen (Hoog)Duits en Nederlands, waarbij geenszins het hem zo dierbare Nederduits van de Hanze mag worden vergeten.

Deze onderzoekslijn is De Smet zijn hele leven lang trouw gebleven: ze leidde hem naar talrijke, belangwekkende en baanbrekende publicaties over o.a. en vooral de lexicologie van het Oudhoogduits en het Oudsaksisch, de figuur van Veldeke en de Maaslandse literatuur in de 12e-14de eeuw, de lexicografie in Duitsland en de Nederlanden (waaronder het werk van Kiliaan) in de humanistentijd, de historische woordgeografie, de wisselwerking tussen het Nederlandse taalgebied en het Noord-Duitse Hanzegebied. Luttele jaren voor zijn afsterven – hij was toen reeds aan de rolstoel gekluisterd, maar mentaal nog helemaal bij – kon hij, als resultaat van een samenwerking met een paar jonge onderzoekers, de wetenschappelijke wereld nog de uitgave van een Middelnederlands-Middelhoogduits Madelgijs-epos in 16 000 verzen schenken.

Na zijn promotie was De Smet achtereenvolgens vijf jaar lang leraar in zijn thuisbasis Oudenaarde , waar hij trouwens de grondslag legde van zijn algemeen erkende pedagogsiche gaven; in 1956 kreeg hij een “Ruf” als hoogleraar Duitse taalkunde aan de Katholieke Universiteit Nijmegen (waar zijn landgenoot Edward Schillebeeckx dogmatische theologie doceerde); in 1966 tenslotte kon hij door een vacature in hetzelfde vak naar Gent terugkeren, waar hij in 1986 werd geëmeriteerd.

Binnen de periode van die twintig Gentse jaren nam hij ook een gasthoogleraarschap in Keulen waar en werd hij in 1972 eredoctor van de universiteit van Göteborg. Zijn advies werd gevraagd voor de bezetting van vrijwel alle lectoraten-Nederlands aan Duitse universiteiten. In die jaren, maar ook al in Nederland, vormde hij een flink aantal leerlingen, waarvan een deel stevig in zijn gedegen onderzoekstraditie verankerd bleef (oudgermanisten en ‘theodisten’), een ander deel heel nieuwe, maar door de leermeester niet minder ‘gepromote’ wegen op taalwetenschappelijk gebied insloeg. Niet weinigen was het vergund, nadien een wetenschappelijke loopbaan verder te zetten aan universiteit of hogeschool. In 1986 werd hem voor het geheel van zijn wetenschappelijk werk en zijn rol als cultuurbemiddelaar tussen de Nederlanden en Duitsland de prestigieuze Joost-van-den-Vondelprijs van de Stiftung F.V.S. te Hamburg toegekend.

De Smet was niet enkel zeer erudiet en wetenschappelijk gedreven, maar tegelijk ook voor zijn studenten een enthousiasmerende persoonlijkheid: hij was oprecht om hen bekommerd en was vaak voor hen een echte, zelfvergeten vader –wellicht was zijn fysiek vaderschap (hij had 7 kinderen) daar niet vreemd aan. Graag nam hij ze met gezwinde vaart mee in zijn grote gezinsauto (waarop de zelfklever “Ick snack platt” prijkte) naar de Nederduitse studiedagen die hij eerst met zijn collega uit Hamburg, Walther Niekerken, nadien met zijn Leuvens-Münsterse collega en vriend Jan Goossens (die andere grote ‘theodist’) organiseerde; voor wie die dagen mocht meemaken een wel heel speciale en bijblijvende ervaring!

Na zijn emeritaat blééf De Smet actief en productief. Tot aan de periode van zijn gezondheidsproblemen leidde hij verder de redactie van het tijdschrift Wetenschappelijke Tijdingen (nog onder zijn bestuur uitgebouwd tot een orgaan dat enkel nog gewijd is aan de studie van de Vlaamse Beweging, waarvan hijzelf levenslang een overtuigd aanhanger was). Al in 1980 werd hij lid van de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten en in die hoedanigheid de nauwgezette en onbaatzuchtige eindredactor van het Nationaal Biografisch Woordenboek (van België), waarvan hij de delen 10 tot 15 bezorgde.

De Smet was steeds zeer recht voor zijn raap, snedig en vlijmscherp. Wie daar niet vertrouwd mee was, kon wel eens schrikken. Vaak werd hij aangevoeld als de strenge heer uit de parabel der talenten (Mattheus 25) waar die tot de slechte en luie knecht zegt: ‘Je wist dus dat ik oogst waar ik niet gezaaid heb, en binnenhaal waar ik niet heb uitgestrooid’ (v. 26). Maar zo was nu eenmaal zijn ‘meester(-)lijke pedagogie’ en alleen zo kon ze vruchten opleveren. Wie hem gekend heeft, zal hem oprecht dankbaar blijven om wat hij/zij van hem mocht ontvangen. Op hem zijn van toepassing de woorden waarmee de diepgelovige en tegelijk hooghumane middeleeuwse dichter van het Parzival-epos, Wolfram von Eschenbach, zijn magnum opus besloot:

Swes leben sich sô verendet,
Daz got niht wirt gepfendet
Der sêle durch des lîbes schulde,
Und der doch der werlde hulde
Behalten kan mit werdekeit,
Daz ist ein nütziu arbeit

Dat is, in vertaling,

Wie zijn leven zo eindigt
Dat hij door zijn gedrag in deze wereld
Zijn ziel voor God niet verloren liet gaan,
En tegelijk toch de erkenning van diezelfde
wereld wist te verwerven door zijn voorbeeldigheid
Die heeft van zijn leven het juiste werk gemaakt.

Verdere referenties zijn te vinden in:

* wortes anst . verbi gratia. donum natalicium gilbert a.r. de smet.
Uitgegeven door H.L. Cox, V.F. Vanacker en E. Verhofstadt. Uitgeverij acco Leuven/Amersfoort, 1986.
* G.A.R. de Smet. Kleine deutsche Schriften, ausgewählt und neu
herausgegeben von L. de Grauwe. Rijksuniversiteit Gent – Seminarie voor
Duitse Taalkunde, 1991.