Over KVHV - Prominenten

René De Clercq

René De ClercqRomantisch dichter van natuurgedichten, ambachtsliederen, bijbelspelen, libretto’s van zangspelen en gedichten in het kader van de Vlaamse Beweging (tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij de “bard van het activisme”) en in het kader van de arbeidersbeweging (Anseele zag in hem de enige potentiële dichter voor zijn beweging). De Clercq gebruikte echter nooit marxistische noties maar werd filosofisch definitief beïnvloed door de Leidse hegeliaanse filosoof Gerardus Bolland die in 1911 sprak in de Gentse aula. Verscheidene van zijn gedichten werden gemeengoed als liederteksten, bv. Tinneke van Heule, De Gilde viert e.a. Vanaf 1920 waagde hij zich ook aan de toondichtkunst. Meest gekende bundels: Natuur (1902), Liederen voor het volk (1903), Toortsen (1909, algemeen beschouwd als ‘socialistische’ poëzie), De Noodhoorn (1916, activistische strijdgedichten, cultbundel bij jonge flaminganten in de twintiger jaren, meerdere sterk aangevulde herdrukken). Hij werkte mee aan talrijke politieke en literaire tijdschriften en hij was lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden (1908). De ministers Helleputte en Poullet vroegen hem, een Nederlandstalige tekst voor de Brabançonne te schrijven (mei 1912). Van 1915 tot de zomer 1921 was hij propagandist en mecenas van Frits van den Berghe, Gust de Smet en Jozef Cantré en van het jonge expressionisme dat zich ontwikkelde in het Gooi (Nl). Met literaire prijzen werd hij niet bedeeld, zeker niet meer na zijn terdoodveroordeling op 17 april 1920 (wegens zijn politieke bedrijvigheid).

 

Geboorte, jeugd en familie

René De Clercq werd in Deerlijk geboren op 14 november 1877 in het huis, toen herberg Het Damberd, dat nu zijn museum herbergt. Zijn vader Charles was een kleine vlashandelaar, herbergier en touwslager en verzorgde de hele vlasbewerking vanaf het zaaien tot het zwingelen. Van het afval werden ’s winters koorden gedraaid.

Met zijn eerste vrouw Cordula D’heijgere kreeg hij zes kinderen.Het vijfde kind, Elodie (o3.1.1863), stierf bij de geboorte evenals het zesde kind, Jules (o7.12.1863). Vijf dagen later stierf ook moeder Cordula. Wat is zo’n gezin zonder moeder? Charles hertrouwde met Pauline Gheysens met wie hij nog eens tien kinderen kreeg. Samen zestien kinderen van wie René De Clercq de voorlaatste was. Na de geboorte van het laatste kind, Rachel, verhuisde Charles naar de herberg De Valke op de hoek van de Harelbekestraat en de Kleine Pontstraat, nu Comm. Edmond Ameyestraat.

Omdat René als jongste zoon het troetelkind van de familie was en eveneens een heel schrander baasje, mocht hij verder studeren. Op zijn dertiende trok hij naar het college Saint-Joseph in Tielt. Buitengezet in Tielt maakte hij zijn humaniora af in de retorica van het college Saint-Amand in Kortrijk. Wat hem het zwaarst viel, was de Franse opvoeding. De internaten waren de verfransingsmachines bij uitstek en René De Clercq klaagde in bittere bewoordingen die wantoestanden aan: “Van mijn lang verblijf in de kostschool houd ik met haat en liefde, in vaste herinnering bewaard, hoe wij daar, door en door Vlaamschvoelend en denkend, in ’t Fransch leerden, speelden, zongen, aten en biechtten…”

Toen hij in de vierde Latijnse zat, stierf zijn vader. Toch zou hij verder kunnen studeren, alhoewel het voor de moeder hard werken was om het studiegeld bijeen te krijgen. Moeder hoopte haar zoon ooit eens als priester te zien. Na de collegejaren studeerde hij verder aan de (Franstalige) universiteit van Gent, eerst voor geneesheer. Na een mislukt jaar volgde hij Germaanse filologie. Universitaire studies waren het voorrecht van een Franssprekende elite in Vlaanderen. Moeder De Clercq zou zich als weduwe kromwerken om de studies te kunnen betalen.

 

Doctor in de Germaanse filologie en huwelijk

In 1896 schreef De Clercq zich in voor ‘sciences naturelles’ aan de Gentse universiteit. Professor Paul Fredericq die van zijn dichterlijke kwaliteiten gehoord had, zorgde ervoor dat hij in de Germaanse Filologie terechtkwam. Tussen professor en student ontstond een heuse vriendschapsrelatie. Via Fredericq leerde René het intellectuele, liberale flamingantisme kennen. Zijn medestudent Karel van de Woestijne leerde hem zichzelf ontdekken als dichter. Hij ging op kot in de Kalvermarkt. Als student was De Clercq een gekend fuifnummer; niettemin werd hij voorzitter van de Vlaams-katholieke studentengilde ‘Rodenbachs vrienden’ (voorloper van het KVHV-Gent) die een belangrijke rol zou spelen in de strijd voor de vernederlandsing van de universiteit en de eentaligheid van Vlaanderen. Via Jan Lefèvre leerde hij in 1901 het Gentse socialisme kennen, maar bleegf het ondanks bepaalde rechtvaardige punten bestrijden. Tijdens zijn studententijd publiceerde hij in de laatste nummers van Van nu en straks (1901) en was hij betrokken bij de kunstkring Open Wegen in Sint-Martens-Latem (1902). In 1902 doctoreerde hij op een proefschrift over Gezelle.

De 25ste augustus 1903 zegende Hugo Verriest in Ingooigem het huwelijk in van de 26-jarige René De Clercq met de intelligente, mooie Marie Delmotte. In 1909 overleed Marie na een korte ziekte en liet hem met drie kleine kinderen achter. Zijn dichtbundel Uit de diepten (1911) leert ons hoe ontredderd hij was door de dood van zijn aanbeden vrouw. Door toedoen van beide families hertrouwde hij enkele maanden later met haar ongehuwde zuster Alice met wie hij ook drie kinderen kreeg.

 

Beroep en werk

René De ClercqVanaf 4 december 1902 werd hij leraar, aanvankelijk in Nijvel en nadien, vanaf 1 december 1904, in Oostende. Toen hij in januari 1906 werd aangesteld als leraar in het Koninklijk Atheneum aan de Ottogracht in Gent, vestigde hij zich met zijn jong gezin in Sint-Amandsberg, eerst in de Schoolstraat, kort daarop in de Gentstraat en op 23 december 1908 in de Beeldhouwerstraat. In mei 1910 trok hij naar Destelbergen (Dendermondse Steenweg) en op 5 augustus van dat jaar verhuisde hij naar de Driesstraat in Ledeberg.

Als leraar Duits en Nederlands had hij als collega’s, o.m.Victor Fris, Maurice Basse, Hyppoliet Meert, Oscar de Gruyter, Jozef Goossenaerts , Philip van Isacker en Adiel Debeuckelaere. Zijn bekendste leerlingen waren Richard Minne (die hij begeleidde als piepjonge dichter), Marcel Minnaert, Michel van Vlaenderen, Edzard Domela, Gaston Mahy, Andries Mac Leod, Firmin Parasie, August Remouchamps en Paul de Keyser.

Zijn poëziebundel De Vlasgaard (met muziek Jozef Vandermeulen) werd vanaf 8 oktober 1905 niet minder dan 23 maal opgevoerd in de Koninklijke Nederlandse Schouwburg. Het maakte van hem ‘een bekend Gentenaar’. Voor de socialisten was het een zodanig succesnummer dat een via hen vertaalde Franse versie in 1910 en 1912 ook nog 7 maal zou lopen in de Franse Opera. De Clercqs gedichten werden gesneden koek voor componisten als Emiel Hullebroeck. Hun liedjes worden succesnummers op Vlaamse liederavonden. De samenwerking met Hullebroeck sprong in 1912 af op een meningsverschil over auteursrechten.

De Clercq was redenaar bij de officiële vieringen van Cyriel Buysse (1911) en Virginie Loveling (1912) en op Vlaanderens Kunstdag (16 juli 1911 in Gent) waarvoor – volgens Karel Van de Woestijne in de Nieuwe Rotterdamsche Courant – 100.000 mensen warmliepen. Intussen was De Clercq met zijn vriend Alfons Sevens actief in de campagne voor de vernederlandsing van de universiteit, o.m. via het blad De Witte Kaproen. Door een zekere teleurstelling in de politiek en na de dood van zijn vrouw hield hij zich vanaf 1912 vooral bezig met de Gentse kunstscène, wat in 1914 uitmondde in de stichting van het Algemeen Kunstverbond der Beide Vlaanderen (100 leden). Na zijn vlucht naar Nederland was De Clercq de bezieler van een voornamelijk Gentse kunstenaarskolonie in het Gooi. Als propagandist voor de activistische Raad van Vlaanderen kwam hij nog verscheidene malen spreken in Gent, o.m. ter gelegenheid van 100 jaar Gentse universiteit (november 1917) en bij de verkiezingen voor genoemde Raad (27 januari 1918; eed van trouw aan Vlaanderen op de Vrijdagsmarkt). Op de grote propagandameetings van Jan Wannyns Nationalistische Bond gaven zijn opzwepende strijdgedichten ‘een grote zedelijke stootkracht’.

In 1916 schreef De Clercq zijn bekende gedicht Gent! (Vol klinkt uw naam / kort als een daad, vast als ‘t cement…). In tal van andere teksten zou hij naar Gent verwijzen, zo in de bundel Toortsen (1909), in zijn sleutelromans Harmen Riels (o.m. Renés lotgevallen met het Gentse socialisme, 1913) en Een wijnavond bij Dokter Aldegraaf (de kunstenaarskolonie van het Gooi zit samen aan de vooravond van WOI, 1928).

Alfons Siffer, toen gevestigd op het Sint-Baafsplein, gaf verscheidene van zijn werken uit, de dichtbundels Echo’s (1900) en Ideaal (1900), de verhalen in verzen Halewijns’ straf (1898) , Roeiwedstrijd te Terdonk (1900) en De Vlasgaard (1902). Siffer gaf ook het tijdschrift Jong Vlaanderen (1900-1902) uit, waarvan René de Clercq en Alfons Sevens hoofdredacteurs waren.

Karel van de Woestijne hielp Julius de Praetere bij het drukken van De Clercqs bundel Natuur (1902), op de handpers die bij de Van de Woestijnes in Sint-Martens-Latem stond opgesteld.

 

Activisme, veroordeling en ballingschap

René De ClercqBij de inval van de Duitsers op 4 augustus 1914 vluchtte hij, zoals méér dan één miljoen Belgen, met zijn gezin naar het neutraal gebleven Nederland. Hij werd leraar aan de Belgische school in Amsterdam en redacteur van De Vlaamsche Stem, het dagblad voor de Vlaamse vluchtelingen in Nederland.

Door zijn Vlaamsgezinde artikels in De Vlaamsche Stem werd hij in 1915 als leraar ontslagen. Dan trad hij toe tot het activisme en keerde in 1917 naar Vlaanderen terug als conservator van het Wiertzmuseum in Brussel en werd lid van de Raad van Vlaanderen onder Duits bewind. Na de oorlog werd hij, wegens zijn activisme, door het Belgische gerecht in 1920 bij verstek ter dood veroordeeld.

Hij week uit naar Nederland, waar hij in ballingschap leefde tot aan zijn dood op 12 juni 1932. Hij was nog geen 55 jaar oud. Hij werd begraven in grond van de familie Pieck op het kerkhof van Lage Vuursche in Maartensdijk bij Utrecht.

 

Blijvende aandacht

In juni 1991 opende de Stichting René De Clercq een museum in het geboortehuis van de dichter. Naast de zuiver literaire aspecten komt daar ook de brede evolutie van Gent tussen 1896 en 1914 aan bod evenals de relatie van De Clercq met Frits van den Berghe (De Clercq koopt en verkoopt o.m. De Schilder, De Zaaier, De Sterrenvisser, De Baadsters en Malpertuis en wordt zelf vijfmaal door Frits geportretteerd), én de verhouding met Gust de Smet en Jozef Cantré.

Laatstgenoemde kapte het grafmonument van De Clercq (dat zich thans naast de kerk van Deerlijk bevindt) uit groene diabaas; het stelt de dichter voor ‘die oprijst met het aangezicht met gestrekte baard naar de zon gekeerd, de kamper houdt in de ene hand zijn bundel De Noodhoorn zijn andere rust op moeder Dietsland, de aarde’. Na 50 jaar op het stemmige kerkhof van Lage Vuursche te hebben gestaan, kreeg het in 1982 zijn huidige plaats. Een bronzen ontwerp bevindt zich in het Gentse Museum voor Schone Kunsten. In 1987 werd door dr. Koen Hulpiau een doctoraatsthesis aan hem gewijd die werd gepubliceerd bij de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde. Zichtbare sporen te Gent blijven aanwezig in het standbeeld van De Clercqs geesteskind Tinneke van Heule en een straat met dezelfde naam, beide in Gentbrugge.

 

Over René De Clercq:

    • Antoon Jacob: René De Clercqs levensbericht, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandsche letterkunde te Leiden (1936-1937), p. 123-147

 

    • Gilbert Depaemelaere: René de Clercq, uit liefde alleen (1977)

 

    • Koen Hulpiau: René De Clercq als flamingant, in: Wetenschappelijke tijdingen (1982-1983), nrs 41.42 en 43

 

    • Koen Hulpiau: René De Clercq, een monografie (1986); ook in: Wetenschappelijke tijdingen, jg. 41 (1982), p. 212-225; jg. 42 (1983), p. 83-96 en 236-247; jg. 43 (1984), p. 89-102

 

    • Koen Hulpiau: René De Clercq, in: Nieuwe encyclopedie van de Vlaamse Beweging (1998)

 

  • Jaarlijkse Nieuwsbrieven van de Stichting René De Clercq, Deerlijk