Taalpolitiek en -problematiek in het Belgisch leger 1830-2013

Geplaatst op Zaterdag, 31-10-15 om 16:44:39

Blog > Taalpolitiek en -problematiek in het Belgisch leger 1830-2013

Men zou willen spreken van een "stilte voor de storm", maar die zinsnede past helaas niet. Nog voor 2014 ingezet is, worden we al bedolven onder de herdenkingen, museumrenovaties en themawandelingen. Het IJzerfront is plots weer nabij, en met de Fronter ook het wederzijds gehakketak tussen Belgicisten en Flaminganten over de discriminatie in het leger. Maar wat klopt ervan


De Fabeltjeskrant


Internetdiscussies tussen links en rechts zijn tegenwoordig voorspelbaar geworden, noem het 'de Wet van Conscience': na x aantal reacties vervallen de discussiërende internethelden steevast in een links misprijzen voor de 'mythische volksaard' en zwakke rechtse pogingen om de brokken te lijmen en een weerwoord te bieden. Wanneer niet 1302 van onder het stof wordt gehaald, dan toch op zijn minst de zogenaamde 'IJzermythe'. Het is die zogenaamde 'Vlaamse mythevorming' die (terecht) maar al te graag bestreden wordt. Het probleem is dat de intentie vaak elk onderzoek structureel kapotmaakt. Een van de bekendere pogingen tot deconstructie is een artikel dat op 11/07/2008 gepubliceerd werd in De Morgen en ondertussen al enkele jaren meedraait in verhitte discussies. In "Vijf Vlaamse mythes in hun blootje" trekken B. Bultinck en J. Verelst van leer tegen "het verhaal dat arme Vlaamse soldaten in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog massaal een gruwelijke en vooral zinloze dood vonden omdat hun arrogante Franstalige officieren niet de moeite namen om Nederlands te spreken"[1]. Maar wat is daar nu waar van?

Voor de gelegenheid lieten de heren de gerenommeerde historica Sophie De Schaepdrijver (Pennsylvania State University) opdraven, iemand die wel vaker in de Vlaamse pers wordt aangehaald als het om vroeg-20ste-eeuws nationalisme gaat. Volgens haar gaat het om een "puur externe mythe" die in de jaren '20 is opgedoken in de Vlaamse Beweging, in hetzelfde kader als het verhaal van de gebroeders van Raemdonck en ruim verspreid werd door "Vlaamse collaborateurs". De Schaepdrijver voert aan dat er niets over die kwestie is terug te vinden in dagboeken of frontbrieven en vermengd wordt met de mythe dat 80% van het leger uit Vlamingen zou bestaan (volgens haar ligt het aantal dichter bij 65%, rond 70% volgens Boijen). Waar De Schaepdrijver nog enige nuance legt in het geheel, gaan Bultinck en Verelst verder door de verhaal compleet naar het rijk der fabelen te verwijzen. De aandacht voor de taalproblematiek vóór het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog schijnt dit te bewijzen, er zouden systematische inspanningen gedaan zijn. Het wordt pas echt gortig wanneer men de eerder lage mortaliteit in het leger aanhaalt als een argument tegen Nederlandstalige officieren aan het IJzerfront.[2] De onwetenschappelijke deconstructie van Bultinck en Verelst is, in tegenstelling tot de gewoonte, niet breed uitgemeten in de Vlaamse pers, hun 'ontdekking' stierf een stille dood. De tegenargumenten zijn immers zeer makkelijk terug te vinden, meer nog, ze schijnen het relaas van De Morgen tegen te spreken.

Een van de historici die er zich op professioneel vlak mee bezig houden en hielden was de gelauwerde auteur Richard Boijen, tot zijn dood in 2007 verbonden aan het Koninklijk Legermuseum en haar archieven. Boijen heeft eveneens uitvoerig geschreven over het thema en laat een ander licht op de zaken schijnen, een dat sterk contrasteer met hetgeen De Schaepdrijver reeds over het onderwerp wist te vertellen: de taalproblematiek is volgens hem zo oud als de Belgische staat en, net zoals de meeste communautaire problemen in dit land, een probleem ontstaan door pappen en nathouden.


De Belg en de évolué


Reeds voor de Belgische staat goed en wel gevormd was kwam de taalregeling al ter sprake. Op 16 en 27 oktober 1830, in volle onafhankelijkheidsstrijd, besloot het Voorlopig Bewind het Frans in te stellen als bevel- en administratietaal, aangezien het Frans "Étant la langue la plus générallement répandue en Belgique",[3] dit volgens het toentertijd niet gecontesteerde principe van eentalige legers. De Belgische overheid zette dan ook algauw in op het leger als natievormend instrument. Het leger verdedigde met andere woorden de nieuwe staat zowel tegen externe en interne dreigingen. Landsverdediging werd geacht het bolwerk van nationale identiteit en eenheid te zijn, uitgedrukt door symbolen als de vlag, de nationale helden en de eed van trouw aan de Belgische staat. Minister van Oorlog, generaal P.E.F. Chazal (zelf een Fransman die zich van de ene dag op de andere plots 'Belg' voelde), zag militaire geschiedenis als het onderwerp bij uitstek om deze nationale gedachte uit te dragen: "inspirer l’amour de son état, l’attachement à la patrie, au Roi, aux institu­tions et à ses chefs; elle présentera de nombreux exemples à l’appui des principes que l’on cherche à inculquer dans l’esprit et le coeur des militaires".[4] Het onderwijs had hierin een centrale functie. Kosten noch moeite werden gespaard om kandidaat-officieren tot stormtroepen van de Belgische identiteit te smeden.

Ondanks de romantische geest van officieren als B. Renard, wiens werk een ware lofzang is op de mythische 'Belg' en de harmonie tussen Vlaming en Waal bleek het schoentje net daar te wringen: twee volkeren, maar slechts één bevelstaal: tweetaligheid werkt slecht in één richting. Het spreekt voor zich dat deze eentalige regeling al snel voor enig weerwerk zorgde aan Vlaamse zijde. Aanvankelijk werd deze regeling gezien als een opstap voor Vlamingen die carrière wilden maken: Fransonkundigheid zou immers tot lang na de Eerste Wereldoorlog een knelpunt vormen voor ambitieuze Vlamingen. Ondanks het ontluikende Vlaamse bewustzijn bleek het leger geen groot strijdpunt te zijn voor de Flaminganten. Het petionnement van 1840 negeert de ongelijkheid dan ook volledig. De schijnbare onverschilligheid van de Nederlandstalige rekruten werd door het parlement verstaan als tevredenheid. In het parlement werd herhaaldelijk gesproken over 'purs Flamands' die het 'gemaakt' hadden. De Vlaamse loteling als évolué. Geleidelijk wordt de eenrichtingstweetaligheid een steeds belangrijker strijdpunt, wat zich eerst uit in de vraag om gewestelijke rekrutering en uiteindelijk de eis om eentalige regimenten en uiteindelijk ook eentalige divisies.


Compromis à la Belge


Net zoals de taalwetgeving in de andere lagen van de maatschappij vormt de geschiedenis van het taalgebruik en -problematiek in het leger een lange chronologie van trage vooruitgang en minieme verbeteringen die meestal pas doorgevoerd worden wanneer het (bijna) te laat is. De eerste stap werd gezet wanneer de liberaal François Delanghe bekomt dat het Nederlands wordt overgeplaatst van de facultatieve naar de verplichte vakken. Zijn amendement werd in 1838 met slechts drie stemmen verschil aangenomen. Er gloort hoop wanneer ook het toelatingsexamen voor de Militaire School voortaan een basiskennis Nederlands eist, maar deze vervaagt wanneer men ziet dat deze vervangen kon worden door een basiskennis Duits of Engels.

Het duurt tot 1857 vooraleer de taalproblematiek pas echt op de voorgrond komt. De Vlaemsche Commissie, gesteund door groten als Jottrand, Conscience en Snellaert, en beter bekend als de Grievencommissie kaartte de wantoestanden in het leger aan. Het principe van eentaligheid der legers werd van de hand gewezen: in Waterloo voerde Wellington toch ook probleemloos het bevel over een viertalig leger? De voorzichtige vraag om Waalse en Vlaamse regimenten, waarbij de Vlaamse in Wallonië gekazerneerd zouden worden en vice versa schoot premier Charles Rogier in een verkeerd keelgat. Het voorstel stonk naar Orangisme en werd door de 'Vaderen des Vaderlands' als een belediging opgevat. Meertaligheid van het leger was onbespreekbaar voor Rogier en de kwestie werd dan ook zondermeer van tafel geveegd.[5]

De wantoestanden bleven zich ophopen: de oprichting van de regimentsscholen bleek weinig efficiënt voor de Vlaamse analfabeten vanwege het onderricht in het Frans. Nederlands stond onderaan de waardeschaal op de militaire school, enkel tekenen stond nog lager aangeschreven. Het leek wel of alles wat meertalig was een smet op zich droeg. Een leraar Nederlands mocht slechts de titel van maître voeren en ontving een wedde van 600fr., zijn collega voor Frans droeg de titel professeur en verdiende 400fr. meer. In deze massa waren er enkele officieren die de kern van de problemen doorhadden, zo kregen rond 1885 de luitenants en onderluitenants (twee functies die aan het front direct in verbinding staan met de laagste rangen) van het 6de linie verplicht een cursus Nederlands voorgeschoteld van generaal Brassine. Toch blijft het echter veelzeggend  dat op een totaal van 64 afgestudeerde onderluitenants slechts 12 kennis hadden van het Nederlands.[6]

De eerste stappen naar gelijkheid werden gezet met de Legerwet van 1913, het gevolg van een debat dat op gang kwam naar aanleiding van de herziening van het dienstsysteem in 1909. Pieter Daens trachtte met een amendement de taalwetgeving op bestuurszaken van Coremans toe te passen op het leger maar ving bot.[7] Ondertussen rommelde het in Vlaamse militaire kringen: het Vlaamsch Legercomiteit ging zelfs over tot dreigementen, toch duurde het tot 1912 eer de eerste vooruitgang geboekt werd. De liberalen Persoons, Buysse en Pecher vroegen om de uitbreiding van de toepassing van de Wet Coremans, eentalige regimenten met keuze voor tweetalig Brussel, splitsing van de pupillen -en regimentsscholen en een grotere plaats voor het Nederlands in de opleiding. Premier de Broqueville wilde echter niet weten van eentalige regimenten, de militiewet van 1913 werd dan ook een perfect 'compromis à la Belge': bij het toelatingsexamen diende de kandidaat een 'grondige' kennis van de ene taal en een elementaire kennis van de andere taal te hebben, aan Nederlands en Frans dienden echter wel evenveel uren besteed te worden.


De houthakkers van de Orne


Deze militiewet zou ingaan op 1 januari 1917 maar de oorlogsomstandigheden zorgden ervoor dat er zelfs geen begin werd gemaakt aan de toepassing van de wet. Doorheen de oorlog was er geen sprake van tweetaligheid in de mededelingen, zelfs gevaarlijke plaatsen in de loopgraven werden enkel in het Frans aangegeven. De katholiek Alfons van de Perre klaagde de wantoestanden aan bij koning en ministers en gaf het voorbeeld van de commandant die een Fransonkundig rekruut toesnauwde "Même les nègres au Congo comprennent ces ordres". In dit klimaat schakelden Nederlandssprekende officieren snel over op het Frans uit vrees uitgemaakt te worden voor Flamingant. De verstrenging van de repressie tegen het activisme wakkerde de vlam enkel aan terwijl de veroordelingen toenamen. Vlaamsgezinden werden maar al te vaak overgeplaatst naar strafcompagnies zoals de 'houthakkers van de Orne'. De rabiaat Francofone staf vond een bondgenoot in koning Albert I die elke poging tot tweetaligheid de grond in boorde om het unitaire karakter van leger en staat niet te bedreigen. Ook achter de linies rommelde het. Het activistische blad Uilenspiegel van Leuven kwam op 1/09/1916(?) met een cartoon waarin het schandelijke verschil werd aangeklaagd: "Onze Vlaamsche jongens in het leger blijven gedoemd immer het vuilste en gevaarlijkste werk te verrichten. Zij worden den dood ingejaagd in eene vreemde taal. - De Negers, Senegaleezen, Indiërs, Marokkanen enz. enz. in de geallieerde legers kunnen officieren worden en ontvangen hunne bevelen in hun moedertaal." De vervolging van activisme verstrengt vanaf 1917. Studiekringen werden preventief afgeschaft, frontblaadjes preventief sterker gecensureerd. De situatie verergerde nog na aanstelling van de Ceuninck als minister van Oorlog. De strafcompagnieën werden ook door hem ruim van soldaten voorzien, "Puisqu'il ne pouvait fusiller ces traîtres!" (sic)

De Frontbeweging en het activisme zouden na de oorlog geliefde voorbeelden worden voor de tegenstanders van taalgelijkheid. Ondertussen was er van vooruitgang niet veel te merken, de Vlaamse eisen werden steevast afgewezen of op de lange baan geschoven. Nieuwe wetsontwerpen kwamen neer op het herkauwen van oude voorstellen en eisen, wat niemand echt kon bekoren. In een poging de Vlamingen te paaien voerde minister Forthomme in 1924 een taalexperiment door in het Vierde Legerkorps: de miliciens werden tijdelijk gescheiden volgens taal. Het bestuur, bevel en de opleiding bleven echter Frans, waardoor er van verandering weinig sprake was. Het experiment faalde dan ook en werd een geliefde stok achter de deur voor menig antiflamingant. Kleine parlementaire stappen werden steevast gecounterd met onvoordelige tegeneisen, de jonge officier Adriaan van Coppenolle vatte het samen in De Standaard: "Het korps der hogere officieren telt talrijke Vlaamsonkundige en verfranste Vlamingen. Omdat zij hun eigenbelang en hun gemakzucht er door bedreigd zien, zullen zij de hervorming als ongewenst achten en ze ook het hevigst bestrijden".


Processie van Echternach


Pas in 1928, na 25 zittingen en in totaal 116 uren aan redevoeringen en debatten, zou de Vlaamse Beweging in breedste zin haar slag ten dele thuis halen: voortaan werden miliciens gewestelijk gerekruteerd in eentalige bataljons en compagnieën en de taalexamens werden uitgebreid en verscherpt. De deur naar eentalige regimenten stond op een kier maar de overheid trachtte angstvallig het midden te houden. Minister van Landsverdediging de Broqueville wist echter nog het maximale aantal gemengde eenheden te behouden door juridische achterpoortjes. De wet werd op felle kritiek onthaald: noch eentalig, noch tweetalig, geen van beide partijen kon echt blij zijn met de regeling. Daarnaast bleven vele vragen onopgelost: welke taal moeten officieren bv. onderling spreken? De invoering van de wet stond gepland voor 1 januari 1931, maar de regering maakte duidelijk dat het met grote tegenzin was. Wanneer in 1930 nog niets bekend is over de invoering en uitvoering van de nieuwe wet beginnen de gemoederen wederom te verhitten. Milicien Joris de Leeuw zorgt voor een kleine opstoot door het opvolgen van Franse bevelen categorisch te weigeren. Zijn proces voor de Krijgsraad kon op hevig Flamingantisch verzet rekenen, zowel op straat als in de Kamer.

Anno 1935 telde de infanterie nog 12 gemengde eenheden tegenover 11 Vlaamse en 7 Franse, ondanks protesten in De Standaard en Het Laatste Nieuws, bij de andere onderdelen was het nauwelijks beter. De relations entre officiers bleven uiteraard in het Frans. De radicalisering van de eisen en partijen deed ook de roep om eentalige eenheden sterker worden. Na een lange strijd met de nieuwe minister, generaal Denis, werd op 30 juli 1938 uiteindelijk het eisenpakket geratificeerd: miliciens konden voortaan hun diensttijd doorlopen in hun moedertaal in eentalige compagnieën, regimenten en divisies met tweetalige officieren, met uitzondering van de tweetalige eenheden, waar de taal van de meerderheid bleef gelden. Inbreuken tegen deze wet bleven echter schering en inslag.

Wanneer na de Tweede Wereldoorlog belangengroepen en partijen elkaar de zwartepiet proberen doorschuiven in de grote schuldvraag blijft ook het leger niet gespaard. Vlaamse eenheden zouden zich te snel hebben overgegeven, Vlaamse officieren en onderofficieren zouden hun taak niet naar behoren hebben uitgevoerd. (Militaire) collaboratie in Vlaanderen was een uitstekende stok om de gewonde leeuw mee te slaan. In het Belgique à papa verandeFrank Baur (CVP) klaagt dat 8 op elke 13 soldaten Franstalig is, het officierenkorps is voor 79% nog steeds Nederlandsonkundig. Pas vanaf 1955 is er een evenwicht tussen Nederlandstalige en Franstalige leerlingen aan de militaire school.


Epiloog


De stelling van De Schaepdrijver schijnt dus even zeer de nodige overdrijvingen te bevatten. Het Belgisch leger van 1914 had nog steeds te lijden onder de taalproblematiek die het bijna een eeuw met zich meedroeg zonder al te veel verbeteringen. De klachten van van de Perre lijken de 'Vlaamse mythe' te bevestigen. De wandaden behoren ondertussen tot het verleden. Na taalpariteit volgde in 1955 ook een inspectiecommissie inzake taal om toe te zien op de wetgeving. Ondertussen steeg het slaagpercentage van de ooit zo schaarse Vlaamse kandidaat-officieren tot ver boven dat van Franstalige collega's (87% t.o.v. 60%). De vraag is echter of de toenemende mondialisering van het militaire in NAVO en VN-termen ons niet opzadelt met een nieuwe taalstrijd. Internationale militaire operaties vergen immers Engels als commandotaal. Dezelfde hond maar een nieuwe halsband?


BIBLIOGRAFIE:

BOIJEN (R.), "Leger", In: de Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging (DE SCHRYVER R. (red.)), Tielt, Lannoo, 1998

BOIJEN (R.), "Het Leger als smeltkroes van de natie", In: Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis, 1997, nr.3

BULTINCK (B.) en VERELST (J.), "5 Vlaamse mythen in hun blootje", In: De Morgen (online), 11 juli 2008, (http://www.demorgen.be/dm/nl/992/Wetenschap/article/detail/344172/2008/07/11/5-Vlaamse-mythen-in-hun-blootje.dhtml) (16 juli 2013)

[1]  De Morgen, 11 juli 2008

[2]  Ibid.

[3]  Boijen, 1998, pp. 1820

[4]  Boijen, 1997, pp. 1

[5]  Ibid.

[6]  Boijen, 1998, pp. 1821

[7]  Boijen, 1997, pp 8